Interview

Voorzitter John Blankenstein Foundation Karin Blankenstein: ‘’Potverdorie, dit doen wij maar gewoon met zo’n mooie groep mensen!’’

Inmiddels is de John Blankenstein Foundation dé organisatie als het gaat over de sociale acceptatie van LHBTI’ers in de sport. Mede door de gedrevenheid en het enthousiasme van voorzitter Karin Blankenstein, is de stichting uitgegroeid tot wat het nu is. In gesprek met Esther vertelt Karin over haar loopbaan, de ontwikkeling die ze heeft doorgemaakt en over haar grote broer John. 

Kun je wat meer over jezelf vertellen? 
Ik kom uit een voetbalgezin. Onze vader heeft altijd gevoetbald. Dus het was logisch dat John, Rob en uiteindelijk ik, gingen voetballen. Al snel bleek dat John er heel weinig van kon, dus hij gooide zijn schoenen aan de wilgen. Omdat er in ons portiek bekende scheidsrechters woonden, is John gaan fluiten. Zo is hij dat wereldje binnengerold. Op zijn zeventiende is hij thuis uit de kast gekomen. Op het moment dat hij uit de kast kwam, was hij nog helemaal geen bekende scheidsrechter, hij stond nog aan het begin van zijn carrière. 

 

“Al zouden ze zeggen dat John een kabouter is, het zei mij niks 

 

Kan jij je dat moment nog herinneren? 
Ik kan mij ontzettend goed herinneren dat er voor die tijd heel veel spanning in huis was. Je hebt het over de jaren zestig. Nu is het niet makkelijk, maar toen was het nog veel moeilijker om te zeggen. Uiteindelijk heeft hij verteld wat er aan de hand was. Mijn vader liep uit huis en ging naar een goede vriend toe. Niet omdat mijn vader niet meer van zijn kind hield, maar die man was zo reëel en dacht: wat betekent dit voor de toekomst? Wordt hij in elkaar geslagen? Kan hij nog wel een baan krijgen? Ik hoorde natuurlijk wel wat er aan de hand was, maar ik was zeven jaar, wist ik veel. De volgende ochtend heeft mijn moeder aan de ontbijttafel verteld wat er aan de hand wasToen zei ze: ‘’John is homofiel.’’ Dat zeiden ze toen nog. Ik zeg altijd gekscherend: al zouden ze zeggen dat John een kabouter is, het zei mij niks. Ik heb dus ook nooit gedacht: hij is nu een andere broer.  

Het heeft wel krasjes nagelaten, dat merk ik tot de dag van vandaag. Zo’n spanningsveld in het gezin als je jong bent, dat merk je. Aan de andere kant brengt het ook heel veel. Het heeft iets losgemaakt bij mij. Als er iets werd gezegd over homoseksualiteit in de negatieve zin, dan zei ik: ‘’Heens even, dan heb je het wel over mijn grote broer!’’ Toen John overleed en dit op mijn pad kwam, had ik meteen zoiets van: hier ga ik iets mee doen. Dat soort activisme heeft er altijd wel ingezeten.  

Je zegt: het kwam op mijn pad. Maar wat heb je daarvoor gedaan? 
Wat heb ik allemaal niet gedaan! Ik ben begonnen als administratief medewerkster op een klein kantoortje. Op een gegeven moment ben ik doorgegroeid naar directiesecretaresse bij een aantal automobielbedrijven. Vervolgens ben ik met iemand in contact gekomen die relatiegeschenken verkocht. Daarna ben ik in een damesmodezaak terecht gekomen, vandaaruit ben ik in een herenmodezaak terecht gekomen. Inmiddels hadden we ook een tweede kind erbij, onze dochter. Jarenlang heb ik in de herenmode gewerkt, dat vond ik onwijs leuk! Ik was een van de eerste vrouwen van mijn generatie die ook gewoon door bleef werken toen de kinderen geboren werden 

En toen overleed John dus. COC Nederland kwam naar Rob en mij met het idee: ‘’Wij willen een John Blankenstein Foundation oprichten.’’ Dat vonden wij heel mooi, maar we wilden wel dat een van ons zich daarmee bezig zou houden. Wij weten de uitgesproken mening die John had. Ik werkte parttime en wilde dat wel doen. Er gebeurde eigenlijk heel weinig totdat ik contact kreeg met Huub ter Haar, die zich ook bij het COC had gemeld. Die kwam met het idee om een boek te schrijven over alle sporters die tot de LHBTI-gemeenschap horen. We hadden gelijk een klik en zijn samen op pad gegaan. We bleken een subsidie te kunnen krijgenmaar daarvoor moest je een officiële stichting zijn. Dus ik heb binnen no time een bestuur bij elkaar gezocht en 18 december 2008 zijn wij officieel gestart. Dat is de officiële startdatum van de John Blankenstein Foundation. Het is dat het COC ermee kwam, maar anders hadden we er op dat moment echt niet bij stil gestaan.  

Ik weet natuurlijk waar jullie je hard voor maken, maar op welke manieren doe je dat? 
Op vele manieren. Een van de belangrijkste manieren is het geven van workshops, door zowel in gesprek te gaan met sporters, bestuurders, trainers/coaches, maar ook met gemeenten. Tegenwoordig doen we dat ook met studenten die een opleiding volgen tot trainer/coach of sportleraar. Met elkaar in gesprek gaan kweekt begrip en dat is wat wij willen. Wij zijn geen organisatie die met het vingertje wijst en zegt wat je allemaal móet doen. We adviseren en gaan met elkaar in gesprek over hoe we die perfecte sportbeleving voor iedereen krijgen.

Waar ben je het meest trots op in die twaalf jaar sinds het officiële begin? 
Sowieso dat we de actie met de regenboogaanvoerdersbanden op de kaart hebben gezet. Dat is een initiatief van de John Blankenstein Foundation en de VVCS (Vereniging van Contractspelers). Inmiddels is dat uitgegroeid tot een jaarlijks initiatief. Dat is iets waar we heel erg trots op zijn!  

Laatst zat Frank Evenblij bij het programma de Vooravond en praatte hij over ons: ‘’Sportverenigingen moeten de workshops van de John Blankenstein Foundation volgen.’’ Op dat moment kwam er een foto van John in beeld. Ik wist niet dat die foto eraan zou komen. Dan zit ik wel met kippenvel en tranen in mijn ogen: potverdorie, dit doen wij maar gewoon met zo’n mooie groep mensen! Daar ben ik echt trots op.  

Wat is de grootste uitdaging nog als we het hebben over dit onderwerp in de sport? 
Als je naar je sport gaat, gaat het erom dat je een prestatie met z’n allen levert en er plezier in hebt. Je kunt trainen wat je wil en heel sterk worden, maar als het mentaal niet goed zit, komt er helemaal niets van terecht. Wij willen die mentale weerbaarheid versterken, maar dan moet je ook wel die ruimte geven aan kinderen om eerlijk te zijn. Die taak ligt niet bij de LHBTI-jongeren, nee, het ligt bij de hetero-omgeving. Tijdens de uitzending van de Vooravond met Frank Evenblij, zat ook Bart Vriends aan tafel. Hij zei: ‘’Doordat ik mij hier mee bezig ben gaan houden, kwam ik erachter dat ik het woord ‘gay’ ook best vaak gebruik in de kleedkamer. Niet om iemand te kwetsen, maar het is een onderdeel van.’’ Het feit dat hij dat zegt als speler van Sparta: wauw!  

Inmiddels is inclusie een belangrijk onderwerp, maar het gaat voornamelijk over racisme. Het onderwerp waar wij ons mee bezighouden staat ergens onderaan. John was zeventien toen hij uit de kast kwam en zou nu zeventig zijn geweest. We zijn in zoverre verder dat het meer bespreekbaar is. Er zijn hele goede ontwikkelingen en daar willen wij ons op focussen. Maar het kan veel sneller getackeld worden, namelijk door te zeggen: we gaan met z’n allen werken om alle vormen van discriminatie, van uitsluiting, tegen te gaan. Het moet niet alleen maar over huidskleur gaan. De commissie Mijnals is door de KNVB opgericht om alle vormen van uitsluiting bespreekbaar te maken en tegen te gaanMaar denk je nou echt dat Ruud Gullit en Humberto Tan zich bezig houden met de acceptatie van de LHBTI’ers in de sport? Nee. Ik begrijp het ook, want die hebben een andere pijn ervaren.  

 

Ik vind het eigenlijk jammer dat dit pas zo laat op mijn pad is gekomen 

 

Ben je nog tegen bepaalde dingen aangelopen als vrouw? 
Ik vind het eigenlijk jammer dat dit pas zo laat op mijn pad is gekomen. Tuurlijk had ik mijn broer nog veel liever bij mij gehad, want hij was veel te jong toen hij overleed. Maar ik ben wel trots op mijzelf dat ik zo’n ontwikkeling heb doorgemaakt. Ik voel mij nog altijd jong. Maar wat is het ontzettend jammer dat ik nu pas ben wie ik ben. En waar heeft dat aan gelegen? Nou, toch ook wel de maatschappij. Ik ben iemand uit 1959, dus ik heb een hele andere vorm van opvoeding gehad. Mijn broers moesten leren. Niet dat het voor mij onbelangrijk was, maar het was minder belangrijk. Ik was bijvoorbeeld graag advocate geworden. Maar als ik nu met jou praat, denk ik: wauw, (geeft zichzelf een klopje op de schouder) je mag trots zijn op wie je nu bent.  

Ik heb heel goed contact met Michael van Praag. Ik heb recentelijk nog even koffie bij hem gedronken en toen zei hij ook: ‘’Karin, jij moet hier veel meer mee gaan doen.’’ Dat zijn voor mij hele belangrijke dingen, want ergens zit toch dat kleine, onzekere meisje die dat allemaal heeft meegemaakt en zich terugtrok. Ik ben echt gegroeid daarin. En dan vind ik het ook mooi dat iemand zoals Michael dat zegt. Dat zegt hij niet om te pleasen, maar dat zegt hij omdat hij dat oprecht meent.  

Je vertelde dat je het jammer vindt dat dit pas zo laat op je pad is gekomen. Welke tips zou je willen geven aan de Karin van twintig jaar terug? 
Wees wat trotser op jezelf. Je mag jezelf zijn. Ik was toen totaal niet trots op mijzelf, ik voelde mij altijd onzeker. In plaats van met een opgeheven hoofd ergens naar binnenlopen, liep ik naar binnen met mijn hoofd naar beneden. Ik was onzeker. Die tip zou ik willen meegeven aan de jonge Karin: wees trots op wie je bent.  

Welke tips kun je geven aan jonge vrouwen in de sport? 
Pak je kans. Ook als je maar een kleine kans ziet, pak hem gewoon! Je mag trots zijn op jezelf. En of dat nou als sporter is, als bestuurder, of wat dan ook: wij vrouwen kunnen dit ook. Ik kom uit de voetbalwereld. Ik heb elf jaar in het bestuur gezeten van een voetbalvereniging en was een van de eerste vrouwen. Ik was daar secretaris en vond het onwijs leuk om te doen. Ik zag dat ik een van de eersten was, maar het kwam op mijn pad en dacht: dit doe ik, dit is mijn sport en mijn bijdrage doet ertoe.  

Wat wil jij achterlaten aan het einde van je carrière?  
Eigenlijk hoop ik dat ik binnen nu en vijf jaar met pensioen zou kunnen om de reden dat het geen issue meer is. Dat zou het mooiste zijn. Maar als ik reëel ben, zal je er altijd voor moeten blijven vechten. Alleen hoop ik dat het vechten dan wat minder is. Ik hoop met trots te kunnen terugkijken op het zaadje dat wij hebben geplant. Wij zijn begonnen als zaadje en langzamerhand gaan groeien en gaan bloeien. Ik hoop dat als ik ermee stop, dat plantje inmiddels een hele mooie plant is geworden. 

Heb je nog een bepaald levensmotto? 
Laat iedereen gewoon zichzelf mogen zijn.  

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *